logo

Vriend- en vijandschappen

Vriendschappen ontstaan volop bij kinderen in de basisschoolleeftijd. Bepaalde kinderen kennen elkaar al omdat zij op dezelfde school zitten. Andere kinderen bouwen een vriendschap op met kinderen die zij alleen kennen van de buitenschoolse opvang. Vriendschappen worden aangemoedigd door de pedagogisch medewerkers. Anderzijds worden kinderen niet gedwongen om met mét elkaar te spelen, of juist apart. Visie van kindercentrum Babbels wat betreft vriendschappen is dat er sprake moet zijn van 'gelijkheid'. Het moet niet zo zijn dat het ene kind het andere onderdrukt. Waneer dit het geval is zullen de pedagogisch medewerkers de kinderen aparte of 'gescheiden' activiteiten aanbieden. Op deze manier ontstaat er niet allen fysieke, maar ook geestelijke ruimte tussen hen. Dit geldt ook voor broers en zussen. Zij kunnen veel aan elkaar hebben, maar zij kunnen elkaar ook 'in de weg zitten'. De pedagogisch medewerker zorgt ervoor dat zij elkaar de ruimte geven om vriendschappen aan te gaan met anderen.

Het kan voorkomen dat een kind erg graag alleen wil spelen. De pedagogisch medewerkers respecteren deze behoefte en zorgen dat het kind hier de ruimte voor krijgt. Wel kan er dan een tijdslimiet worden afgesproken; bijvoorbeeld een half uur op de computer.

Een kind kan een voorkeur ontwikkelen voor een bepaalde pedagogisch medewerker. Vanuit het kind bekeken vinden wij dit best begrijpelijk. Een pedagogisch medewerker zal hier professioneel mee om gaan. Zij zal deze situatie niet uitbuiten; zij besteed geen extra aandacht aan dat ene kind en zorgt er voor dat de andere pedagogisch medewerkers bij het kind betrokken worden. Pedagogisch medewerkers tonen hun eventuele voorkeur voor bepaalde ouders of kinderen niet.

Kinderen kunnen om verschillende redenen eenmalig óf op regelmatige basis vijandig op elkaar reageren en met elkaar omgaan. De pedagogisch medewerkers van Kindercentrum Babbels leren het kind om te gaan met vijandigheid tussen hen en andere kinderen, de reden voor de vijandigheid te vinden en op te lossen. Dit is uiteraard afhankelijk van de situatie en de leeftijd van de kinderen. De pedagogisch medewerkers zorgen er met elkaar voor dat niet één kind de dupe wordt van de vijandigheid van één of meer andere kinderen.

Wanneer vijandigheid op de groep naar voren komt praten de pedagogisch medewerkers hier met de kinderen over, met de kinderen die het betreft en ook vaak in een groepsgesprek. Zij leggen uit dat het niet fijn is voor jezelf en voor de ander wanneer je vijandig doet. Daarnaast besteden zij extra aandacht aan het kind dat zich (eventueel) herhaaldelijk vijandig gedraagt; een praatje maken, samen een spelletje doen, de positieve dingen die hij doet benoemen en dit gedrag met woorden belonen. Ook zullen de pedagogisch medewerkers al pratend en spelend proberen erachter te komen waaróm het kind zich vijandig gedraagt. Wanneer het kind erover wil praten zullen de pedagogisch medewerkers hier hun begrip voor tonen. Op die manier willen zij het kind laten merken dat hij belangrijk is en dat zij hem willen helpen.

Elkaar pesten, uitschelden en pijn doen wordt niet geaccepteerd door de pedagogisch medewerkers en dat leggen zij ook telkens op nieuw uit. Op die manier maken zij de kinderen ook duidelijk dat vijandig gedrag niet goed is.